Inbedrijfstellen van klimaatinstallaties is geen kwestie van de knop omzetten

Om nieuwe complexere klimaatinstallaties goed te kunnen laten functioneren is na de montage een goede inbedrijfstelling noodzakelijk.

De inbedrijfstelling is in principe niets anders dan de eind- en functiecontrole van elke automatisch geregelde centrale verwarming/koeling of luchtbehandelingsinstallatie. Je levert de installatie op zoals deze ontworpen en bedoeld is om te regelen en te functioneren. Hierna kan deze worden overgedragen aan de eigenaar/gebruiker. Hij kan hierbij uitleg krijgen over de bediening, instellingen en hoe om te gaan met storingen.

Een goede inbedrijfstelling verloopt via een aantal fasen, zoals hieronder aangegeven.

Fase 1: voorbereiding

  • Verzamelen gegevens (regelschema’s, W-tekeningen, bestek, regelbeschrijving e.d.)
  • Verdiepen in het ontwerp en bestek van de installatie en regelbeschrijving, eventueel toegelicht door de ontwerper van de (regel)installatie.

Fase 2: controle van de veldapparatuur 

  • Controle of opnemers/sensoren op de juist plaats zijn gemonteerd
  • Controle of thermostaten/drukschakelaars e.d. juist zijn gemonteerd
  • Controle of aandrijfmotoren/servomotoren juist zijn gemonteerd
  • Controle of waterzijdige kleppen hydraulisch juist zijn gemonteerd
  • Controle of veldapparatuur juist is aangesloten

Fase 3: controle installatiewerk 

  • Controle of installatiewerk gereed is (leidingwerk, kanalenwerk, roosters, isolatie, verwarmings- en koelelementen e.d.)
  • Controle of waterzijdige installaties voldoende zijn gevuld met water en of glycol.
  • Bij cv-systeem alle (inregel)afsluiters 100% open zetten
  • Bij lb-systeem alle lucht(regel)kleppen 100% open zetten.
  • Controle of alles is bekabeld
  • Controle of E-voedingen + alle fasen aanwezig en aangesloten zijn
  • Controle principeschema’s

Fase 4: inbedrijfstellen 

  • Voedingsspanning inschakelen
  • Testen schakelfuncties en controle regelschema’s
  • Testen (alarm) doormeldingen en brandschakelingen
  • Controle motorvermogens
  • Controle motorbeveiligingen (zekeringen en thermische beveiligingen)
  • Inbedrijfstellen transportpompen en ventilatoren
  • Meten opgenomen stromen van alle aangesloten elektromotoren
  • Inbedrijfstellen (laten) van aangesloten toestellen (ketels, koelmachines, boiler e.d.)
  • Controleren en testen van (modulerende) aansturing toestellen
  • Opstarten regelkringen
  • Functietesten en afstellen sturing regelkleppen, servomotoren e.d.
  • Controle, functietest en afstellen van opnemers, sensoren, thermostaten en (verschil)drukschakelaars
  • Controle, functietest en afstellen van beveiligingen en grenswaarden
  • Controleren en indien nodig bijstellen van setpoints regelkringen, grenswaarden, beveiligingen, thermostaten, drukschakelaars, klokprogramma’s e.d.
  • Controle stabiliteit regelkringen (bij voldoende belasting)
  • Afstellen en fijn tunen van regelkringen
  • Algehele controle van de werking van de installatie (wordt het overal warm/koud)
  • Bedrijfswaardig opleveren van de installatie

Fase 5: afronding 

  • Uitleg geven aan gebruikers over bediening en storingsafhandeling
  • Rapporteren van de bevindingen en restpunten
  • Regelschema’s inleveren ter revisie
  • Controle werking installatie over alle seizoenen

Een goed inbedrijfgestelde installatie zal jarenlang probleemloos functioneren en minder storingen veroorzaken. De gebruiker weet hoe hij de installatie moet beheren en instellen en wat hij moet doen bij eventuele storingen. Het is verstandig om een logboek aan te leggen, waar de eventuele storingen en oorzaken in kunnen worden vermeld en waar verstellingen kunnen worden vastgelegd.